In dit artikel nemen we de zelfstandigenaftrek nog eens zorgvuldig onder de loep.
Zoals vastgelegd in artikel 3.76 van de Wet inkomstenbelasting 2001 (Wet IB 2001) komt een ondernemer in aanmerking voor de zelfstandigenaftrek indien hij of zij voldoet aan het urencriterium en bij aanvang van het kalenderjaar de AOW-leeftijd nog niet heeft bereikt. In 2025 bedraagt de zelfstandigenaftrek € 2.470. De komende jaren wordt dit bedrag stapsgewijs verder afgebouwd tot uiteindelijk € 900.
Heeft de ondernemer aan het begin van het kalenderjaar de AOW-leeftijd reeds bereikt, dan bedraagt de zelfstandigenaftrek 50% van € 2.470.
Het is belangrijk om te benadrukken dat de zelfstandigenaftrek in beginsel niet hoger kan zijn dan de winst over het betreffende jaar. Voor startende ondernemers geldt hierop een uitzondering. Indien de winst (of het verlies) te laag is om de zelfstandigenaftrek volledig te benutten, kan het niet-gerealiseerde deel gedurende de daaropvolgende negen jaren alsnog worden verrekend, mits in die jaren voldoende winst wordt behaald (artikel 3.76, leden 5 tot en met 9, Wet IB 2001).
Voorbeeld:
Pieter behaalt in jaar 11 een winst uit onderneming van € 2.000 en in jaar 12 een winst van € 13.000. In jaar 11 bedraagt de zelfstandigenaftrek in beginsel € 2.470. Omdat de aftrek niet hoger mag zijn dan de winst, kan Pieter in dat jaar slechts € 2.000 benutten. Hij is geen startende ondernemer. Het resterende bedrag van € 470 wordt doorgeschoven en kan in jaar 12 alsnog in aftrek worden gebracht, mits daar voldoende winst aanwezig is.



